
Nierfalen bij je kat: symptomen, stadia en wat eten doet
In 30 seconden
- Wat het is
- De nieren zuiveren langzaam slechter. Je ziet het eerst aan meer drinken, meer plassen, afvallen en een doffere vacht, vaak maanden voordat je kat ziek lijkt.
- Wanneer je belt
- Drinkt en plast je kat een paar dagen meer dan normaal, maak dan een afspraak voor bloed en urine. Is hij suf, blijft hij braken of eet hij niets meer: bel dezelfde dag.
- Vanavond
- Schrijf vanaf vanavond op hoe vaak je kat drinkt en hoe groot de klitten in de bak zijn. Dat neem je mee naar de dierenarts. Blijkt het nierfalen, dan is een nierdieet met minder fosfor het best onderzochte middel.
Inhoud van deze gids
- Meer drinken, meer plassen, een vacht die glans verliest
- Chronisch of acuut? Bij een oudere kat meestal het eerste
- Vier stadia, en hoe je ze uit de uitslag leest
- Waarom een nierdieet meer waard is dan alles uit het kruidenrek
- Je kat weigert het nierdieet. En dan?
- Hoe vaak komt nierfalen bij katten voor?
- Een fontein, natvoer en een bak op de goede plek
- Waarom katten plantenstoffen anders afbreken dan honden
- Zeg bij de volgende controle: prik ook de nieren mee
De kattenbak van maandag had klitten zo groot als je vuist. Dinsdag stonden er twee. En elke ochtend zit je kat bij de kraan, alsof hij daar geluid zoekt. Je noemt het oud worden, tot je bedenkt dat hij dit vier maanden geleden nog niet deed.
Nieren halen afvalstoffen uit het bloed en maken urine sterk. Doen ze hun werk slechter, dan drinkt een kat meer en valt hij af, lang voordat hij ziek lijkt. De eerste signalen worden bij katten vaak als normaal oud worden weggezet, schrijft de VCA Animal Hospitals: gewicht eraf, doffere vacht, wisselende eetlust, meer drinken en plassen. Pas als ongeveer twee derde van het nierweefsel niet meer goed werkt, zie je klachten.
Het overkomt dierenartsen ook. MARKdierenarts uit Leidsche Rijn schreef in 2018 over zijn eigen kat: “bloeduitslag van mijn kat Smeag is binnen en nu blijkt hij nierfalen te hebben” (zijn post op X). Iemand die elke dag bloeduitslagen leest, zag het bij zijn eigen kat ook pas op papier.
Meer drinken, meer plassen, een vacht die glans verliest
Meer drinken en plassen valt meestal het eerst op; de kattenbak vertelt mee met grotere klitten. Dit is wat je per signaal kunt doen:
| Wat je ziet | Wanneer je belt |
|---|---|
| Drinkt meer, zit vaker bij de kraan of de bak | Enkele dagen achter elkaar: afspraak voor bloed en urine |
| Plast vaker, grotere klitten in de bak | Samen met meer drinken: afspraak, meestal geen spoed |
| Valt af terwijl hij gewoon doorleeft | Binnen enkele weken een afspraak, met bloedwerk erbij |
| Eet wisselend of slechter, braakt af en toe | Langer dan twee dagen of dagelijks braken: bel eerder |
| Doffe, vettige vacht, minder gepoetst | Op zichzelf geen spoed, samen met afvallen wel |
| Slechte adem, zweren in de mond | Meestal een later stadium; deze week naar de dierenarts |
| Plotseling suf, herhaaldelijk braken, niets meer eten | Dezelfde dag bellen |
Geen van deze dingen bewijst nierfalen; het bloedwerk maakt het verschil.
Chronisch of acuut? Bij een oudere kat meestal het eerste
Chronisch nierfalen groeit in maanden of jaren. Kapot nierweefsel wordt littekenweefsel, en littekenweefsel zuivert niet meer. De ziekte speelt dus al lang voor je iets ziet; vroege opsporing is daarmee de enige handeling die echte tijd koopt.
Acuut is een andere wereld: gezonde nieren die in dagen inzakken, meestal door iets giftigs. De bekendste kat-specifieke oorzaak staat in een vaas: van lelies in het Lilium-geslacht is elk deel giftig voor katten, blad, steel, bloem, pollen, zelfs het vaaswater. Een kat die langs het boeket strijkt en het pollen van zijn vacht likt, kan acuut nierfalen krijgen, en de vergiftigingsinformatie van Pet Poison Helpline noemt vroege behandeling vitaal. Een boeket met lelies en een kat in huis gaan niet samen.
Afremmen kan wel, en het sterkste bewijs daarvoor staat bij de voerbak.
Vier stadia, en hoe je ze uit de uitslag leest
De dierenarts rekent met de tabellen van IRIS, de International Renal Interest Society, met aparte grenzen voor hond en kat. Dit zijn de kattengrenzen uit de IRIS-stadiëring van 2026:
| Stadium | Creatinine (µmol/l) | SDMA (µg/dl) | In gewone taal |
|---|---|---|---|
| 1 | onder 140 | onder 18 | De nieren zijn beschadigd maar zuiveren nog vrijwel normaal. Iets anders wijst op de nieren, zoals urine die niet meer goed ingebonden wordt; blijft de SDMA boven de 14, dan is het vroege nierziekte. |
| 2 | 140 tot 250 | 18 tot 25 | Licht verhoogd. Klachten meestal mild of afwezig; vaak alleen meer drinken en meer plassen. |
| 3 | 251 tot 440 | 26 tot 38 | Duidelijk verhoogd. Braken, afvallen en sufheid komen hier vaak op. |
| 4 | boven 440 | boven 38 | Ernstig. Toenemend risico op een levensgevaarlijke uremische crisis, een piek van afvalstoffen. |
Drie leesregels horen bij die tabel. Eén: meet op minstens twee momenten bij een kat die vastend, stabiel en gehydrateerd is; één hoge uitslag op één ochtend is geen stadium.
Twee: creatinine stijgt laat en hangt af van spiermassa, dus een magere oude kat kan net-normaal scoren. SDMA stijgt eerder. IRIS schrijft dan voor: creatinine in stadium 1 met een SDMA die aanhoudend boven de 18 blijft, behandel je als stadium 2; SDMA aanhoudend boven de 25 in stadium 2, als stadium 3. Wie alleen op creatinine kijkt, ziet soms te laat.
Drie: naast het bloed telt urine en bloeddruk. Verdunde urine is vaak het eerste wat afwijkt, en bij katten telt slecht inbinden zonder andere verklaring zelfs als stadium 1-teken; bij honden niet. Lekt er eiwit door of zit de bloeddruk boven de 160 mmHg, dan behandelt de dierenarts dat erbij; boven de 180 heet dat ernstig.
Waarom een nierdieet meer waard is dan alles uit het kruidenrek
Een nierdieet is voer met minder fosfor en een aangepaste hoeveelheid eiwit. Fosfor die de nieren niet meer kunnen uitscheiden blijft in het bloed en jaagt de ziekte op. Voor een kat in stadium 2 houdt de IRIS-richtlijn voor katten het kort: houd het fosfor onder de 1,5 mmol/l, maar niet onder de 0,9. In stadium 3 en 4 liggen de doelen iets hoger. Lukt dat met voer alleen niet, dan volgt een fosfaatbinder.
45 katten in stadium 2 of 3 kregen, dubbelblind en willekeurig verdeeld, tot twee jaar lang ofwel een nierdieet ofwel gewoon volwassenenvoer. Uremische episodes, pieken van afvalstoffen die een kat ziek maken: 26 procent van de katten op gewone voeding kreeg er een, op het nierdieet 0 procent, en de sterfte door de nierziekte zelf daalde ook. Twee voetnoten: op de totale sterfte maakte het dieet geen verschil, en het creatinine veranderde er niet door (Ross e.a., 2006). Het dieet houdt een kat comfortabeler, het geneest niet.
Een Britse studie uit 2000 volgde 50 katten vanaf de diagnose. 29 aten het nierdieet, 21 niet. De mediane overleving was 633 dagen met het dieet en 264 zonder: de helft van de katten leefde korter, de andere helft langer. Ook hier een voetnoot: het onderzoek was niet gerandomiseerd. De groepen waren bij de start wel vergelijkbaar in leeftijd, gewicht, creatinine en fosfor, maar katten die een dieet aankunnen kunnen op andere manieren verschillen van katten die weigeren. Verband is geen bewijs van oorzaak (Elliott e.a., 2000).
Zulk bewijs heeft bij katten met nierziekte geen enkel potje uit de dierenwinkel.
Je kat weigert het nierdieet. En dan?
Dat 21 van de 50 katten het dieet niet haalden is geen voetnoot maar de kern van het probleem. De onderzoekers noemen de redenen: katten die er niet aan wilden en eigenaren die de overstap niet volhielden. Een kat die jaren hetzelfde voer at, stapt niet zomaar over.
Eerst de misselijkheid aanpakken: er zijn middelen tegen braken en middelen die de eetlust opkrikken, want een kat die misselijk is van de afvalstoffen weigert elk voer, ook het lekkere (VCA). Dan andere merken en texturen, het nieuwe voer door het oude mengen. Lukt het echt niet, dan staat er in de IRIS-richtlijn voor katten een route: fosfaatbinders, poeders door het voer dat je kat wél eet, die fosfor in de darm binden. Een normale bak met een binder erdoor wint het van honger.
De kattenrichtlijn noemt nog een valkuil die de hond niet kent. Katten die het fosfor in hun bloed al binnen het doelbereik hebben, kunnen door het strenge nierdieet te veel calcium in het bloed krijgen. De dierenarts meet daarom het calcium mee en schakelt zo nodig terug naar een minder streng dieet.
Hoe vaak komt nierfalen bij katten voor?
Een landelijk Nederlands cijfer bestaat niet. Het vaakst geciteerde getal komt uit een kleine Amerikaanse studie aan één universiteit. In de groep die willekeurig was gekozen uit vier leeftijdsgroepen, van 6 maanden tot 20 jaar, stond chronische nierziekte in de dossiers van 50 procent van de katten; in een groep die was aangemeld voor gewrichtsonderzoek was dat 68,8 procent (Marino e.a., 2014).
Wat dat getal niet zegt: dat de helft van alle katten nierziekte heeft. Het is één plek, retrospectief gekeken, met kleine groepen, en die gewrichtsgroep was al vanwege klachten opgezocht. Wat de studie wél laat zien: nierschade zat ook bij katten van 1 tot 15 jaar, en nierziekte en gewrichtsproblemen gingen opvallend vaak samen. De onderzoekers pleiten er daarom voor de nieren te controleren voordat je een behandeling voor stijve gewrichten kiest. Krijgt je oudere kat pijnstillers of een gewrichtsmiddel, vraag dan of de nieren eerst gecontroleerd worden. Welke gewrichtsmiddelen bij honden onderzocht zijn, staat bij artrose hond supplement; voor katten is die lijst veel korter.
Een fontein, natvoer en een bak op de goede plek
Meer vocht binnenkrijgen lukt met dingen die niets kosten behalve geduld. Meng een lepel water door het natvoer, maar met mate, te veel water door de bak schrikt af. Zet een fontein neer of laat een kraantje druppelen, sommige katten drinken liever bewegend water. Zet meerdere bakken op rustige plekken, weg van voerbak en kattenbak. Melk is geen oplossing: katten kunnen koemelk niet goed verteren en krijgen er diarree van (International Cat Care).
Meer drinken houdt een kat gehydrateerd, maar het keert de ziekte niet om; dat is het werk van het dieet en van je dierenarts.
Waarom katten plantenstoffen anders afbreken dan honden
Zoek je verder dan het voer, dan kom je vanzelf bij kruidenmixen uit. De eerlijke samenvatting: bij katten met nierfalen is geen enkel kruid of supplement aangetoond. En katten hebben nog een extra reden die honden niet hebben: hun lever breekt plantenstoffen anders af.
Amerikaanse onderzoekers vonden de verklaring. Katten missen een werkende versie van het enzym UGT1A6: het bouwplan is in de evolutie kapotgegaan, waarschijnlijk omdat hun dieet altijd puur vlees was (Court & Greenblatt, 2000). Bekendste gevolg: paracetamol is voor katten giftig. Wat bij een hond een doseerkwestie is, kan bij een kat een noodgeval zijn. Voeg dus niets toe zonder je dierenarts, en zeker niet naast het nierdieet of medicijnen.
Eerlijk: wij verkopen zelf kruiden, juist daarom staat hier geen lijstje met beloftes. De Fyto-Fit Nier-mix die de fabrikant voor hond en kat maakt, is nooit in een studie getest; hij vervangt geen dieet en geen behandeling, en geef hem alleen na overleg met je dierenarts. Op paddenstoelen voor honden schrijven we vooral over honden, en ook daar is het bewijs dun. Elke studie die we kennen staat bij onderzoek paddenstoelen hond.
Zeg bij de volgende controle: prik ook de nieren mee
Zit je kat aan zijn zevende jaar of daarvoorbij, zeg dan bij de eerstvolgende controle: prik ook de nieren mee. Bloed op creatinine en SDMA, urine op soortelijk gewicht en eiwit. Extra bezoek is dat meestal niet: oudere katten komen toch al voor tanden, gewicht of entingen. Eén uitslag zegt weinig; de waarde zit in vergelijken.
Schrik je van een uitslag: een kat in stadium 2 heeft vaak nog niets gemerkt, en juist bij katten in stadium 2 en 3 liet het nierdieet in de studie van Ross het verschil zien.
Met SDMA naast creatinine vindt de dierenarts nierschade eerder, vaak nog zonder klachten, op een moment dat voeding echt verschil maakt. Die kans komt één keer per jaar langs, bij de controle.
Kan een kat herstellen van nierfalen?
Chronisch niet: het littekenweefsel gaat niet meer weg, wel af te remmen. Acuut is anders, bijvoorbeeld na lelievergiftiging: daar telt hoe snel je handelt.
Hoe lang kan een kat nog leven met nierfalen?
Een betrouwbaar, actueel gemiddelde bestaat niet. De eerlijkste aanwijzing zijn de twee gedateerde studies hierboven; wat je kat nog krijgt hangt vooral af van het stadium bij ontdekking, het fosfor in zijn bloed en hoeveel hij blijft eten.
Is het nierdieet van de hond ook iets voor mijn kat?
Nee. IRIS houdt aparte tabellen bij met andere grenzen: stadium 2 begint bij de hond op 125 µmol/l creatinine en bij de kat op 140, en de SDMA-banden lopen ook anders. Hoe die hondentabel eruitziet en wat daar bewezen is, lees je in de gids over nierfalen hond.
Dit is informatie, geen diagnose. Bespreek wat je bij je kat ziet met je dierenarts.